aanzetten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- ~ tegen tegen iets plaatsen
- op een kier zetten
- vastmaken
- scherpen zonder materiaal te verwijderen
- ~ tot aansporen, op gang zetten
- een korst afzetten, vast gaan zitten aan een pan
- accentueren
- activeren, in gang zetten, van stroom voorzien, opstarten
- verhitten en bruin laten worden van ingrediënten
- komen, verschijnen
Vervoeging van aanzetten
aanzettenhele werkwoord — zette aanverleden tijd enkelvoud — zetten aanverleden tijd meervoud — aangezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet aan | zette aan |
| jij | zet aan | zette aan |
| hij, zij, het | zet aan | zette aan |
| wij | zetten aan | zetten aan |
| jullie | zetten aan | zetten aan |
| zij | zetten aan | zetten aan |
Alle 80 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| aangezet | verleden tijd, deelwoord |
| aangezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanzette | bijzin, verleden tijd |
| aanzettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is aangezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet aan | gebiedende wijs |
| zette aan | verleden tijd |
| zou aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanzetten aan zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanzetten aan zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanzet
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van aanzetten
Vervoeging van aanzetten
aanzettenhele werkwoord
Herkomst
[1-7] samenstelling van aan vz en zetten ww
Woordfamilie van aanzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanzette | subordinate-clause, verleden tijd | aanzetten |
| aanzettend | onvoltooid deelwoord | aanzetten |
| aanzettende | woordvorm | aanzetten |
| zet aan | gebiedende wijs | aanzetten |
| zette aan | verleden tijd | aanzetten |
| zetten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzetten zijn vastgelegd.