Naar de inhoud

aanbelanden

ergens terechtkomen, oorspronkelijk per schip

aanbelanden

werkwoord ˈambəˌlandə(n)

Betekenis

  1. ergens terechtkomen, oorspronkelijk per schip

Hoe spreek je aanbelanden uit?

/ˈambəˌlandən/

Aanbelanden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈambəˌlandən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
b bak
ə de
l land
n nek
d dak
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Klinkt hetzelfde als aanbelandden.

Vervoeging van aanbelanden

aanbelandenhele werkwoord — belandde aanverleden tijd enkelvoud — belandden aanverleden tijd meervoud — aanbelandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beland aan belandde aan
jij belandt aan belandde aan
hij, zij, het belandt aan belandde aan
wij belanden aan belandden aan
jullie belanden aan belandden aan
zij belanden aan belandden aan
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te belanden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen belanden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal belanden bijzin, toekomende tijd
aan zou belanden bijzin, voorwaardelijk
aan zouden belanden bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt belanden bijzin, voorwaardelijk
aan zullen belanden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen belanden bijzin, toekomende tijd
aan zult belanden bijzin, toekomende tijd
aanbeland verleden tijd, deelwoord
aanbeland bijzin, tegenwoordige tijd
aanbeland te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aanbeland zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanbelandde bijzin, verleden tijd
aanbelandden bijzin, verleden tijd
aanbelandend onvoltooid, deelwoord
aanbelandt bijzin, tegenwoordige tijd
beland aan gebiedende wijs
belandde aan verleden tijd
ben aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn aanbeland actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanbelanden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aanbeland voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aanbeland voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aanbeland voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aanbeland voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aanbeland voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aanbeland voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aanbeland voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanbelanden bijzin, toekomende tijd
zijn aanbeland actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aanbeland voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanbelanden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanbelanden aan zou(dt) belanden bijzin, voorwaardelijk
zouden aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanbelanden bijzin, voorwaardelijk
zoudt aanbeland zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanbelanden bijzin, voorwaardelijk
zullen aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanbelanden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanbelanden bijzin, toekomende tijd
zult aanbeland zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanbelanden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanbelanden bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanbelanden aan zult/zal belanden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan en belanden

Woordfamilie van aanbelanden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanbeland voltooid deelwoord aanbelanden
aanbelandde subordinate-clause, verleden tijd aanbelanden
aanbelandden subordinate-clause, verleden tijd aanbelanden
aanbelande with-subordinate-clause aanbelanden
aanbelandend onvoltooid deelwoord aanbelanden
aanbelandende woordvorm aanbelanden
aanbelandt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanbelanden
beland aan gebiedende wijs aanbelanden
belandde aan verleden tijd aanbelanden
belandden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanbelanden
belande aan woordvorm aanbelanden
belanden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanbelanden
belandt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanbelanden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbelanden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanbelanden

Hoe spreek je aanbelanden uit?
De uitspraak van aanbelanden is: /ˈambəˌlandə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanbelanden?
Aanbelanden is een werkwoord. Het woord betekent: ergens terechtkomen, oorspronkelijk per schip.
Hoe vervoeg je aanbelanden?
Je vervoegt aanbelanden als volgt: het voltooid deelwoord is aanbeland. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op aanbelanden?

Op aanbelanden rijmen 3 woorden, onder andere aanbelandden, aanstaanden en zonnemaanden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op aanbelanden, uitspraak ˈambəˌlandən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
aanbelandden 4
aanstaanden 3
zonnemaanden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanbelanden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. A 1
  8. N 1
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanbelanden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. A 1
  8. N 1
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 17 zonder bonus
  13. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanbelanden in het kort

aanbelanden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanbelanden zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanbelanden bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanbelanden: ergens terechtkomen, oorspronkelijk per schip
Deel aanbelanden — standaardnederlands.nl