Naar de inhoud

aanblazen

(van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren

aanblazen

werkwoord ˈamblɑzə(n)

Betekenis

  1. (van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren
  2. (van een blaasinstrument) doen klinken, door er op de juiste manier in te blazen

Hoe spreek je aanblazen uit?

/ˈamblɑzən/

Aanblazen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamblɑzən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
b bak
l land
ɑ bad
z zon
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren transitive
  2. doen klinken, door er op de juiste manier in te blazen transitive

Vervoeging van aanblazen

aanblazenhele werkwoord — blies aanverleden tijd enkelvoud — bliezen aanverleden tijd meervoud — aangeblazenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blaas aan blies aan
jij blaast aan blies aan
hij, zij, het blaast aan blies aan
wij blazen aan bliezen aan
jullie blazen aan bliezen aan
zij blazen aan bliezen aan
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te blazen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal blazen bijzin, toekomende tijd
aan zou blazen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden blazen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt blazen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen blazen bijzin, toekomende tijd
aan zult blazen bijzin, toekomende tijd
aanblaas bijzin, tegenwoordige tijd
aanblaast bijzin, tegenwoordige tijd
aanblazend onvoltooid, deelwoord
aanblies bijzin, verleden tijd
aanbliest bijzin, verleden tijd
aanbliezen bijzin, verleden tijd
aangeblazen verleden tijd, deelwoord
aangeblazen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeblazen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeblazen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblazen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblazen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeblazen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeblazen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeblazen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeblazen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeblazen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blaas aan gebiedende wijs
blies aan verleden tijd
er is aangeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangeblazen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangeblazen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangeblazen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangeblazen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangeblazen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangeblazen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanblazen bijzin, toekomende tijd
zal aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanblazen bijzin, voorwaardelijk
zou aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) aanblazen aan zou(dt) blazen bijzin, voorwaardelijk
zouden aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanblazen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanblazen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen aanblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanblazen bijzin, toekomende tijd
zullen aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en blazen ww

Woordfamilie van aanblazen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanblaas subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanblazen
aanblaast subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanblazen
aanblaze with-subordinate-clause aanblazen
aanblazend onvoltooid deelwoord aanblazen
aanblazende woordvorm aanblazen
aanblies subordinate-clause, verleden tijd aanblazen
aanbliezen subordinate-clause, verleden tijd aanblazen
aangeblazen voltooid deelwoord aanblazen
blaas aan gebiedende wijs aanblazen
blaast aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanblazen
blaze aan woordvorm aanblazen
blazen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanblazen
blies aan verleden tijd aanblazen
bliezen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanblazen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanblazen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanblazen

Hoe spreek ik aanblazen uit?
Zo spreek je aanblazen uit: /ˈamblɑzə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanblazen?
Aanblazen is een werkwoord. De betekenis is: (van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanblazen?
Zo vervoeg je aanblazen zo: het voltooid deelwoord is aangeblazen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanblazen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. Z 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanblazen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 4
  5. L 3
  6. A 1
  7. Z 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanblazen in het kort

aanblazen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanblazen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanblazen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanblazen: (van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren
Deel aanblazen — standaardnederlands.nl