aanbakken
werkwoord ˈambɑkə(n)Betekenis
- door het bakken aankoeken, vasthechten, vastkleven aan de pan
Hoe spreek je aanbakken uit?
/ˈambɑkən/
Aanbakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbakken
aanbakkenhele werkwoord — bakte aanverleden tijd enkelvoud — bakten aanverleden tijd meervoud — aangebakkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bak aan | bakte aan |
| jij | bakt aan | bakte aan |
| hij, zij, het | bakt aan | bakte aan |
| wij | bakken aan | bakten aan |
| jullie | bakken aan | bakten aan |
| zij | bakken aan | bakten aan |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te bakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal bakken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen bakken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult bakken | bijzin, toekomende tijd |
| aanbak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbakkend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbakte | bijzin, verleden tijd |
| aanbakten | bijzin, verleden tijd |
| aangebakken | verleden tijd, deelwoord |
| aangebakken te zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebakken zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bak aan | gebiedende wijs |
| bakte aan | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben, zijn aangebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te hebben, zijn aangebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zou aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanbakken aan zou(dt) bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aanbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aanbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanbakken aan zult/zal bakken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘vastkleven’ voor het eerst aangetroffen in 1632
Woordfamilie van aanbakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbakken |
| aanbakke | with-subordinate-clause | aanbakken |
| aanbakkend | onvoltooid deelwoord | aanbakken |
| aanbakkende | woordvorm | aanbakken |
| aanbakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbakken |
| aanbakte | subordinate-clause, verleden tijd | aanbakken |
| aanbakten | subordinate-clause, verleden tijd | aanbakken |
| aangebakken | voltooid deelwoord | aanbakken |
| bak aan | gebiedende wijs | aanbakken |
| bakke aan | woordvorm | aanbakken |
| bakken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbakken |
| bakt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbakken |
| bakte aan | verleden tijd | aanbakken |
| bakten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbakken zijn vastgelegd.