waarborg
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| waarborgen | meervoud |
| waarborgje | verkleinwoord, enkelvoud |
| waarborgjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waarborgen
- gebiedende wijs van waarborgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waarborgen
Vervoeging van waarborg
waarborghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onderpand of andere zekerheid’ voor het eerst aangetroffen in 1328
Woordfamilie van waarborg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| waarborgje | verkleinwoord | waarborg |
| waarborgjes | verkleinwoord meervoud | waarborg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waarborg zijn vastgelegd.