Voegwoord: uitleg over nevenschikkend en onderschikkend
Een voegwoord is een woord dat zinnen of delen van een zin met elkaar verbindt, zoals en, maar, omdat en als. Op deze pagina lees je wat een voegwoord is, wat het verschil is tussen nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden en hoe dat de woordvolgorde in de zin beïnvloedt. Met voorbeelden die laten zien wanneer je welk voegwoord gebruikt.
Door Maarten Soetens
Wat is een voegwoord?
Een voegwoord is een woord dat twee woorden, zinsdelen of zinnen met elkaar verbindt. Het is zelf geen zinsdeel: het is alleen de schakel tussen twee delen. Een voegwoord verandert nooit van vorm. Zonder voegwoorden zou je alleen losse korte zinnen hebben, zoals Het regent. Ik blijf thuis. Met een voegwoord maak je er één zin van: Het regent, dus ik blijf thuis.
Er zijn twee groepen.
- Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee gelijkwaardige delen: twee woorden, twee zinsdelen of twee hoofdzinnen. De bekendste zijn en, maar, of, want en dus. Bijvoorbeeld: Ik drink thee en jij drinkt koffie.
- Onderschikkende voegwoorden leiden een bijzin in en maken die bijzin afhankelijk van een hoofdzin. Voorbeelden zijn dat, omdat, als, toen, terwijl, hoewel, voordat, nadat, zodat en of. Bijvoorbeeld: Ik blijf thuis omdat het regent.
Het woord of staat in beide rijtjes. Het kan nevenschikkend zijn, zoals in thee of koffie, of onderschikkend, zoals in Ik vraag of je komt.
De groep bepaalt ook de woordvolgorde. Na een onderschikkend voegwoord staat de persoonsvorm meestal aan het eind van de bijzin: omdat het regent. Na een nevenschikkend voegwoord blijft de normale volgorde van een hoofdzin: want het regent. Een voegwoord herken je dus ook aan de plaats van de persoonsvorm.
Voegwoorden in zinnen
In de zinnen hieronder staat het voegwoord schuin. Bij elke zin lees je wat het voegwoord doet.
- Ik eet een appel en een peer. Het voegwoord en verbindt hier twee zelfstandige naamwoorden.
- Wil je thee of koffie? Het voegwoord of geeft hier een keuze tussen twee dingen.
- Ik ben moe, maar ik ga toch naar de training. Het voegwoord maar verbindt twee hoofdzinnen en drukt een tegenstelling uit.
- Hij blijft thuis, want hij is ziek. Na want blijft de gewone volgorde van een hoofdzin, dus hij is ziek.
- Hij blijft thuis omdat hij ziek is. Na omdat staat de persoonsvorm is aan het eind van de bijzin.
- Ik weet dat je dit leuk vindt. Het voegwoord dat leidt een bijzin in die zegt wat ik weet.
- Als het regent, blijf ik thuis. De bijzin staat voorop, daarna volgt direct de persoonsvorm van de hoofdzin.
- Hoewel hij moe was, ging hij door. Het voegwoord hoewel geeft een tegenstelling aan tussen de bijzin en de hoofdzin.
- Zij zingt terwijl ze afwast. Het voegwoord terwijl zegt dat twee dingen tegelijk gebeuren.
Je ziet dat voegwoorden niet alleen delen aan elkaar koppelen, maar ook de volgorde van de woorden in de zin bepalen, zoals je bij want en omdat hebt gezien.
Veelgemaakte fouten met voegwoorden
Een paar voegwoorden worden vaak verward.
- Want en omdat. Beide geven een reden, maar want is nevenschikkend en omdat onderschikkend. Na want blijft de gewone volgorde: Ik ga naar bed, want ik ben moe. Na omdat staat de persoonsvorm achteraan: Ik ga naar bed omdat ik moe ben. Een zin kan met omdat beginnen, maar niet met want.
- Dan en als. Na een vergrotende trap gebruik je dan: Hij is groter dan zijn broer. Bij gelijkheid gebruik je als: Hij is net zo groot als zijn broer.
- Toen en als. Met toen verwijs je naar een gebeurtenis die één keer in het verleden plaatsvond: Toen hij binnenkwam, stond ik op. Met als verwijs je naar een voorwaarde of iets wat nog moet gebeuren: Als het regent, blijf ik thuis.
- Dat en of. Met dat leid je een bijzin in die iets vaststelt: Ik weet dat je komt. Met of leid je een bijzin in die een vraag of twijfel bevat: Ik vraag me af of je komt.
Staat de bijzin vóór de hoofdzin, dan zet je er een komma achter: Omdat het regent, blijf ik thuis. Controleer ook bij twijfel altijd waar de persoonsvorm staat. Staat hij achteraan, dan heb je te maken met een onderschikkend voegwoord.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een nevenschikkend en een onderschikkend voegwoord?
Een nevenschikkend voegwoord verbindt twee gelijkwaardige delen, bijvoorbeeld twee hoofdzinnen. Een onderschikkend voegwoord leidt een bijzin in die afhankelijk is van een hoofdzin. Bij een nevenschikkend voegwoord blijft de volgorde van de woorden normaal, bij een onderschikkend voegwoord gaat de persoonsvorm naar het eind van de bijzin. Vergelijk Ik blijf thuis, want het regent met Ik blijf thuis omdat het regent.
Mag je een zin beginnen met „maar” of „en”?
Ja, dat mag. Een zin die begint met maar of en is gewoon correct Nederlands. Het is een stijlmiddel dat je gebruikt om een tegenstelling of een toevoeging extra nadruk te geven. In formele teksten gebruik je het met mate, omdat veel van zulke zinnen snel onrustig kunnen klinken. Soms kun je de zin ook samenvoegen met de vorige met een komma.
Wanneer gebruik je „dat” en wanneer „of” als voegwoord?
Je gebruikt dat voor een bijzin die iets vaststelt, bijvoorbeeld Ik weet dat je komt. Je gebruikt of voor een bijzin die een vraag of twijfel bevat, bijvoorbeeld Ik vraag me af of je komt. Een vuistregel is dat je of kunt gebruiken als je de bijzin ook als ja-nee-vraag kunt stellen: Kom je?. Bij dat kan dat niet. Het woord dat kan ook een aanwijzend voornaamwoord zijn en is dus niet altijd een voegwoord.