waren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwarə(n)Betekenis
- doelloos en rusteloos ronddwalen
Hoe spreek je waren uit?
/ˈwarən/
Waren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van waren
warenhele werkwoord — waardeverleden tijd enkelvoud — waardenverleden tijd meervoud — gewaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waar | waarde |
| jij | waart | waarde |
| hij, zij, het | waart | waarde |
| wij | waren | waarden |
| jullie | waren | waarden |
| zij | waren | waarden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewaard | verleden tijd, deelwoord |
| gewaard te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewaard zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te waren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gewaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen waren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waar | gebiedende wijs |
| waarde | verleden tijd |
| waart gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ware | aanvoegende wijs |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| warend | onvoltooid, deelwoord |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen waren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van zijn
- meervoud verleden tijd van wezen
Vervoeging van waren
warenhele werkwoord — waardeverleden tijd enkelvoud — waardenverleden tijd meervoud — gewaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waar | waarde |
| jij | waart | waarde |
| hij, zij, het | waart | waarde |
| wij | waren | waarden |
| jullie | waren | waarden |
| zij | waren | waarden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewaard | verleden tijd, deelwoord |
| gewaard te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewaard zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te waren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gewaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen waren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waar | gebiedende wijs |
| waarde | verleden tijd |
| waart gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ware | aanvoegende wijs |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| warend | onvoltooid, deelwoord |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt waren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen waren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult waren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord waar
Herkomst
In de betekenis van ‘dwalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1613
Woordfamilie van waren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewaard | voltooid deelwoord | waren |
| gewaarde | woordvorm | waren |
| warend | onvoltooid deelwoord | waren |
| warende | woordvorm | waren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waren zijn vastgelegd.