paarseizoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- seizoen waarin de dieren gaan paren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paarseizoenen | meervoud |
| paarseizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paarseizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van paar ww en seizoen
Woordfamilie van paarseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paarseizoenen | meervoud | paarseizoen |
| paarseizoentje | verkleinwoord | paarseizoen |
| paarseizoentjes | verkleinwoord meervoud | paarseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paarseizoen zijn vastgelegd.