Voornaamwoord: uitleg van alle soorten met voorbeelden
Een voornaamwoord is een woord dat in de plaats van een zelfstandig naamwoord kan staan, of dat bij een zelfstandig naamwoord aangeeft wie of wat je bedoelt. Denk aan ik, jouw, deze en niemand. Op deze pagina lees je welke soorten voornaamwoorden er zijn en hoe je ze herkent, met voorbeelden bij elke soort.
Door Maarten Soetens
Wat is een voornaamwoord?
Een voornaamwoord is een woord dat in de zin de plaats inneemt van een zelfstandig naamwoord, of dat bij een zelfstandig naamwoord staat om aan te geven wie of wat je bedoelt. Daardoor hoef je niet steeds dezelfde woorden te herhalen. Vergelijk Jan pakt Jans jas en Jan gaat weg met Jan pakt zijn jas en hij gaat weg.
Er zijn verschillende soorten voornaamwoorden. Dit zijn de drie bekendste.
- Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar personen of dingen: ik, jij, je, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie. Een deel heeft een andere vorm als lijdend of meewerkend voorwerp: mij, jou, hem, haar, ons, hen, hun.
- Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun. Bijvoorbeeld: Dat is mijn fiets.
- Aanwijzende voornaamwoorden wijzen iets aan: deze, die, dit, dat. Bijvoorbeeld: Dit boek is van mij, dat boek is van jou.
Een voornaamwoord kan een zelfstandig naamwoord vervangen, zoals in Ik zie hem, maar het kan er ook bij staan, zoals in mijn broer of deze jas. In dat tweede geval bepaalt het voornaamwoord welke broer of welke jas je bedoelt. Zonder voornaamwoorden zou een tekst snel zwaar en saai worden. Het woord jouw in jouw tas noemt bijvoorbeeld de eigenaar van de tas, terwijl jij in Jij lacht de persoon zelf is.
Voorbeelden per soort
In de zinnen hieronder staan de voornaamwoorden schuin. Bij elke zin lees je welke soort het is.
- Ik woon in Zwolle. Dit is een persoonlijk voornaamwoord, want het verwijst naar de spreker zelf.
- Ik ken hem al jaren. Ook hem is persoonlijk, want het vervangt een man en is hier lijdend voorwerp.
- Dat is mijn fiets. Het woord mijn is bezittelijk, omdat het zegt van wie de fiets is.
- Wij nemen onze kinderen mee. Hier staan een persoonlijk voornaamwoord (wij) en een bezittelijk voornaamwoord (onze) in één zin.
- Deze appel is rijper dan die peer. Beide woorden zijn aanwijzend: deze wijst iets dichtbij aan en die iets verder weg.
- Dit huis is groot, maar dat huis is groter. Bij een het-woord gebruik je dit en dat, bij een de-woord deze en die.
- Ik zie haar vaak. Hier is haar persoonlijk, omdat het een vrouw vervangt. In haar tas is hetzelfde woord bezittelijk.
- Wie komt er morgen? Het woord wie is een vragend voornaamwoord, want het stelt een vraag naar een persoon.
- Niemand heeft de sleutel gezien. Het woord niemand is onbepaald, want het noemt geen bepaalde persoon.
Zoals je ziet, kan hetzelfde woord een andere soort voornaamwoord zijn. Kijk daarom altijd naar de functie van het woord in de zin.
De overige soorten voornaamwoorden
Naast de drie bekendste soorten zijn er nog enkele andere.
- Vragende voornaamwoorden gebruik je om een vraag te stellen: wie, wat, welke, wiens. Bijvoorbeeld: Wie komt er morgen?
- Betrekkelijke voornaamwoorden beginnen een bijzin en verwijzen terug naar een woord in de hoofdzin: die, dat, wat, wie. In De man die naast mij woont, is dokter verwijst die naar de man.
- Wederkerende voornaamwoorden verwijzen terug naar het onderwerp van dezelfde zin: me, je, zich, ons. Bijvoorbeeld: Zij herinnert zich het verhaal.
- Wederkerige voornaamwoorden geven aan dat twee of meer personen hetzelfde bij elkaar doen: elkaar. Bijvoorbeeld: Ze kennen elkaar al lang.
- Onbepaalde voornaamwoorden verwijzen naar iets of iemand zonder dat precies te zeggen: iemand, niemand, iets, niets, alles, iedereen. Bijvoorbeeld: Niemand weet het. Woorden als iets en niets verwijzen naar dingen, iemand en niemand naar personen. Vergelijk Ik zie iemand met Ik zie niemand.
Twijfel je of een woord een voornaamwoord is? Kijk dan of het een zelfstandig naamwoord vervangt of ernaast staat om aan te geven wie of wat je bedoelt. Zo is hun in hun huis een bezittelijk voornaamwoord. Let op: woorden als die, dat en wat kunnen in verschillende zinnen een andere soort zijn, dus kijk steeds naar de zin waarin ze staan. Leer de soorten vooral aan de hand van voorbeeldzinnen, dan onthoud je ze beter.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een persoonlijk en een bezittelijk voornaamwoord?
Een persoonlijk voornaamwoord vervangt een persoon of ding, bijvoorbeeld hij in Hij leest. Een bezittelijk voornaamwoord zegt van wie iets is, bijvoorbeeld zijn in zijn boek. Het persoonlijke voornaamwoord staat meestal op zichzelf, het bezittelijke staat bij een zelfstandig naamwoord. Het woord haar kan beide zijn. In Ik zie haar is het persoonlijk, in haar tas is het bezittelijk.
Wanneer gebruik je „hun” en wanneer „hen”?
Gebruik hun als meewerkend voorwerp: Ik geef hun een boek, want je kunt zeggen Ik geef een boek aan hen. Gebruik hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel: Ik zie hen en Ik praat met hen. Daarnaast is hun ook het bezittelijke voornaamwoord, zoals in hun huis. Als onderwerp gebruik je altijd zij of ze, dus niet hun of hen. Wil je het helemaal omzeilen, dan kun je vaak ze gebruiken.
Is „dat” altijd een voornaamwoord?
Nee, dat kan ook een voegwoord zijn. In Dat boek is mooi is dat een aanwijzend voornaamwoord, omdat het een boek aanwijst. In Ik denk dat het regent is dat een voegwoord, omdat het een bijzin inleidt. In Het boek dat ik las, was mooi is dat een betrekkelijk voornaamwoord. Het woord heeft dus drie functies en je kunt ze alleen uit de zin halen. Kun je dat vervangen door dit, zoals in Dit boek is mooi, dan is het aanwijzend.