paren
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈparə(n)/Betekenis
- samen met iets anders een paar vormend
- seksuele gemeenschap hebben
Hoe spreek je paren uit?
/ˈparən/
Paren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord paar
werkwoord
- samen met iets of iemand anders een paar/koppel vormen intransitive
- koppelen, tot een paar maken, verbinden transitive
- seksuele gemeenschap hebben, vooral van dieren gezegd intransitive
Vervoeging van paren
parenhele werkwoord
Woordfamilie van paren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paarde | woordvorm | paren |
| paart | woordvorm | paren |
| parend | woordvorm | paren |
| parende | woordvorm | paren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paren zijn vastgelegd.