eenparig
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- in eensgezindheid
- zonder verandering in de snelheid naar grootte of richting
- op eenparige wijze
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eenparige | verbogen, stellende trap |
| eenparigs | partitief, stellende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘overeenstemmend, eendrachtig’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Woordfamilie van eenparig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eenparige | verbogen vorm | eenparig |
| eenparigs | partitive, positive | eenparig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eenparig zijn vastgelegd.