gijpen
werkwoordBetekenis
- met de wind mee door de wind gaan
- plotseling van stand veranderen van de zeilen wanneer met met de wind mee door de wind gaat
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van gijpen
gijpenhele werkwoord — gijpteverleden tijd enkelvoud — gijptenverleden tijd meervoud — gegijptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gijp | gijpte |
| jij | gijpt | gijpte |
| hij, zij, het | gijpt | gijpte |
| wij | gijpen | gijpten |
| jullie | gijpen | gijpten |
| zij | gijpen | gijpten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegijpt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegijpt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegijpt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegijpt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegijpt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegijpt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegijpt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegijpt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegijpt | verleden tijd, deelwoord |
| gegijpt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegijpt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gijp | gebiedende wijs |
| gijpe | aanvoegende wijs |
| gijpend | onvoltooid, deelwoord |
| gijpte | verleden tijd |
| had gegijpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegijpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegijpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegijpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegijpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegijpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegijpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegijpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegijpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegijpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegijpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegijpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voor de wind overstag gaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618
Woordfamilie van gijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegijpt | voltooid deelwoord | gijpen |
| gegijpte | woordvorm | gijpen |
| gijp | gebiedende wijs | gijpen |
| gijpe | aanvoegende wijs | gijpen |
| gijpend | onvoltooid deelwoord | gijpen |
| gijpende | woordvorm | gijpen |
| gijpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gijpen |
| gijpte | verleden tijd | gijpen |
| gijpten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gijpen zijn vastgelegd.