gijzelen
werkwoord /'ɣɛɪzələ(n)/Betekenis
- iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
Hoe spreek je gijzelen uit?
/ˈxɛizələn/
Gijzelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iemand gevangen zetten om daarmee iets af te dwingen transitive
Vervoeging van gijzelen
gijzelenhele werkwoord — gijzeldeverleden tijd enkelvoud — gijzeldenverleden tijd meervoud — gegijzeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gijzel | gijzelde |
| jij | gijzelt | gijzelde |
| hij, zij, het | gijzelt | gijzelde |
| wij | gijzelen | gijzelden |
| jullie | gijzelen | gijzelden |
| zij | gijzelen | gijzelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegijzeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegijzeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegijzeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegijzeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegijzeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegijzeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegijzeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegijzeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegijzeld | verleden tijd, deelwoord |
| gegijzeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegijzeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegijzeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegijzeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegijzeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegijzeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegijzeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegijzeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegijzeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegijzeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gijzel | gebiedende wijs |
| gijzelde | verleden tijd |
| gijzele | aanvoegende wijs |
| gijzelend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegijzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegijzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegijzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegijzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegijzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gijzelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegijzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gijzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegijzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegijzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegijzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegijzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegijzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegijzeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegijzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegijzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegijzeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gijzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegijzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegijzeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegijzeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gijzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Keltisch, in de betekenis van ‘als gijzelaar gevangenzetten’ voor het eerst aangetroffen in 1254
Woordfamilie van gijzelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegijzeld | voltooid deelwoord | gijzelen |
| gijzel | gebiedende wijs | gijzelen |
| gijzelde | verleden tijd | gijzelen |
| gijzelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gijzelen |
| gijzele | aanvoegende wijs | gijzelen |
| gijzelend | onvoltooid deelwoord | gijzelen |
| gijzelende | woordvorm | gijzelen |
| gijzelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gijzelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gijzelen zijn vastgelegd.