even
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord ˈevə(n)Betekenis
- deelbaar door twee
- egaal, effen, gelijk
- zonder moeite (met weinig moeite), in korte tijd
- in dezelfde, gelijke mate
- een klein eindje
- steen
- zelfs
Hoe spreek je even uit?
/ˈevən/
Even bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- deelbaar door twee (d.w.z. met een ander rond [3] getal als uitkomst)
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| evener | onverbogen, vergrotende trap |
| eveners | partitief, vergrotende trap |
| evens | partitief, stellende trap |
| evenst | onverbogen, overtreffende trap |
| evenste | verbogen, overtreffende trap |
bijwoord
- zonder moeite of met slechts weinig moeite
- in korte tijd
- amper, net, ternauwernood
- versterkende toevoeging
Herkomst
[bijvoeglijk naamwoord]: Het woord is algemeen Germaans
Woordfamilie van even
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| avaniem | meervoud | even |
| evener | vergrotende trap | even |
| eveners | partitieve vergrotende trap | even |
| evens | partitive, positive | even |
| evenst | uninflected, superlative | even |
| evenste | inflected, superlative | even |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van even zijn vastgelegd.