druivelaar
zelfstandig naamwoord ˈdrœyvəˌlarBetekenis
- klimplant die de druif als vrucht voortbrengt
- populaire Vlaamse scheurkalender sinds 1915 met dagelijks de heilige van de dag, de efemeriden, een mopje of een andere wetenswaardigheid
Hoe spreek je druivelaar uit?
/ˈdrœyvəˌlar/
Druivelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| œy | huis |
| v | vis |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| druivelaars | meervoud |
| druivelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| druivelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van druif met het achtervoegsel -laar met het invoegsel -e- **[2] vanwege het gebruikte beeldmerk
Woordfamilie van druivelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| druivelaars | meervoud | druivelaar |
| druivelaartje | verkleinwoord | druivelaar |
| druivelaartjes | verkleinwoord meervoud | druivelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van druivelaar zijn vastgelegd.