druif
zelfstandig naamwoord drœyfBetekenis
- waar wijn van gemaakt kan worden
- suf, dom, warrig persoon
Hoe spreek je druif uit?
/drœyf/
Druif bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| œy | huis |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaalde plantensoort Vitis vinifera
- besvrucht van de wijnstok Vitis vinifera waar wijn van gemaakt kan worden
- knop achteraan op een kanon
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| druifje | verkleinwoord, enkelvoud |
| druifjes | verkleinwoord, meervoud |
| druiven | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands druve ‘druiventros’ van Oudnederlands thruvo, in de betekenis van ‘druiventros’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100; de betekenis ‘vrucht van de wijnstok’ verdrong Middelnederlands wijnbere (zie wijnbes) Dit woord heeft zich ontwikkeld uit West-Germaans *þrūban- ‘tros, klomp, massa’, misschien verwant met Hittitisch tarupp- ‘verzamelen’; cognaat met Nedersaksisch Druuv "druiventros", Duits Traube "druif, druiventros" en Fries drúf "druif"
Woordfamilie van druif
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| druifje | verkleinwoord | druif |
| druifjes | verkleinwoord meervoud | druif |
| druiven | meervoud | druif |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van druif zijn vastgelegd.