tand
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɑntBetekenis
- harde en wittige calcificatie|gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van eten
- een uit een reeks meestal hoekige of scherpe uitsteeksels aan bepaalde voorwerpen, zoals zaag|zagen of tandwielen
Hoe spreek je tand uit?
/tɑnt/
Tand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel
- een uit een reeks meestal hoekige of scherpe uitsteeksels aan bepaalde voorwerpen, zoals zagen of tandwielen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tanden | meervoud |
| tandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
- gebiedende wijs van tanden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
Vervoeging van tand
tandhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands tant van Oudnederlands tant, in de betekenis van ‘uitsteeksel in kaak om mee te bijten’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van tand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandje | verkleinwoord | tand |
| tandjes | verkleinwoord meervoud | tand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tand zijn vastgelegd.