acceptant
zelfstandig naamwoord ɑksɛpˈtɑntBetekenis
- een persoon die een wissel accepteert
- iemand die werkt voor een verzekeringsmaatschappij en daar belast is met het aannemen van verzekeringen
Hoe spreek je acceptant uit?
/ɑksɛpˈtɑnt/
Acceptant bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| k | kat |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| acceptanten | meervoud |
| acceptantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| acceptantjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iem. die op zich neemt een wissel te betalen’ voor het eerst aangetroffen in 1631
Woordfamilie van acceptant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| acceptanten | meervoud | acceptant |
| acceptantje | verkleinwoord | acceptant |
| acceptantjes | verkleinwoord meervoud | acceptant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van acceptant zijn vastgelegd.