band
zelfstandig naamwoord bɑntBetekenis
- een ring om een voorwerp
- breed koord, langwerpige strook
- groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt
- relatie
- de binnenrand van een biljarttafel
- frequentieband
- een langwerpig lint waarop je informatie, geluid of beeld kan vastleggen (meestal magnetisch).
- band (lint)
- band (boekband)
- band (groep van musici)
Hoe spreek je band uit?
/bɑnt/
Band bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
- groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
- relatie 2, meestal niet amoureus
- een langwerpig lint waarop informatie, geluid of beeld kan worden vastgelegd, meestal magnetisch
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bandje | verkleinwoord, derde persoon |
| bandjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| bands | enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘strook stof om te binden’ een volledig erfwoord, als zodanig voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van band
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bandje | verkleinwoord, 3e persoon | band |
| bandjes | verkleinwoord | band |
| bands | enkelvoud | band |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van band zijn vastgelegd.