kant
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /kɑnt/Betekenis
- een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoen|katoenen draad|draden
- richting
- zijde
- de kleur van de stof kant hebbend
- met goed haakse, rechte zijden
- in orde
- (in het Noorden van Nederland, als extra bevestiging) echt, waarachtig
- honderd
Hoe spreek je kant uit?
/kɑnt/
Kant bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- /, een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden masculine, neuter
- de kleur van de onder [1] genoemde stof hebbend neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kanten | enkelvoud |
| kantje | verkleinwoord |
| kantjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van kanten
- gebiedende wijs van kanten
Vervoeging van kant
kanthele werkwoord
Herkomst
Vermoedelijk via het Oudfranse chant te herleiden tot het Latijnse cant[h]us, "velg". In de betekenis van ‘zijde, rand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1248 . In de betekenis van ‘weefsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1617.
Woordfamilie van kant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kantere | woordvorm | kant |
| kants | woordvorm | kant |
| kantst | woordvorm | kant |
| kantste | woordvorm | kant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kant zijn vastgelegd.