strand
zelfstandig naamwoord, werkwoord strɑntBetekenis
- strook met zand bedekt land langs de kust
- ; strook land langs de kust
Hoe spreek je strand uit?
/strɑnt/
Strand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stranden | meervoud |
| strandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strandjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stranden
- gebiedende wijs van stranden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stranden
Vervoeging van strand
strandhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kustgebied met zand’ voor het eerst aangetroffen in 1368
Woordfamilie van strand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strandje | verkleinwoord | strand |
| strandjes | verkleinwoord meervoud | strand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strand zijn vastgelegd.