diamant
zelfstandig naamwoord dijaˈmɑntBetekenis
- een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- een edelsteen gesneden uit 1
Hoe spreek je diamant uit?
/dijaˈmɑnt/
Diamant bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| i | riet |
| j | ja |
| a | maan |
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat no-plural
zelfstandig naamwoord — masculine
- edelsteen gesneden uit het gelijknamige mineraal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| diamanten | enkelvoud |
| diamantje | verkleinwoord |
| diamantjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘edelgesteente’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van diamant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| diamantje | verkleinwoord | diamant |
| diamantjes | verkleinwoord | diamant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van diamant zijn vastgelegd.