tandkas
zelfstandig naamwoordBetekenis
- holte in het kaakbeen waarin een tand zit
- bot waarin de tanden zitten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tandkassen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van tand zn en kas zn
Woordfamilie van tandkas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandkassen | meervoud | tandkas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tandkas zijn vastgelegd.