pand
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɑntBetekenis
- een zakelijk recht op het roerend goed van een ander om met voorrang een vordering te kunnen verhalen
- een stuk kanaal of vaart dat tussen twee sluizen gelegen is
Hoe spreek je pand uit?
/pɑnt/
Pand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een deel van een jas (slip), een jaspand masculine
- een gebouw (huis) neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| panden | meervoud |
| pandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pandjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van panden
- gebiedende wijs van panden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van panden
Vervoeging van pand
pandhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘slip van jas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562
Woordfamilie van pand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pandje | verkleinwoord | pand |
| pandjes | verkleinwoord meervoud | pand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pand zijn vastgelegd.