mand
zelfstandig naamwoord mɑntBetekenis
- een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
- man
- echtgenoot
Hoe spreek je mand uit?
/mɑnt/
Mand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bak, gemaakt uit vlechtwerk voorzien van een handvat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| manden | meervoud |
| mandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands mande van Oudnederlands manda, in de betekenis van ‘gevlochten korf’ aangetroffen vanaf 1285
Woordfamilie van mand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mandje | verkleinwoord | mand |
| mandjes | verkleinwoord meervoud | mand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mand zijn vastgelegd.