want
zelfstandig naamwoord, voegwoord, werkwoord /ʋɑnt/Betekenis
- handschoen waarbij alle vinger|vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
- de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
- geeft nevenschikkend een reden aan.
- willen
Hoe spreek je want uit?
/wɑnt/
Want bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord
- /: handschoen waarbij alle vingers, behalve de duim in één ruimte zitten feminine, masculine
- : de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want) neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wanten | meervoud |
| wantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wantjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
- gebiedende wijs meervoud van wannen
Vervoeging van want
wanthele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van wanten
- gebiedende wijs van wanten
Vervoeging van want
wanthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘nevenschikkend voegwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van want
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wantje | verkleinwoord | want |
| wantjes | verkleinwoord meervoud | want |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van want zijn vastgelegd.