brand
zelfstandig naamwoord, werkwoord brɑntBetekenis
- verbranding met vuur
- iets dat heel warm en schadelijk is
- een gesneden post of stok
- dwarshout
- bonk, vent
- een bevreesde, onverschrokken persoon
- handelsmerk, merk
- een lange knuppel
- brand
- koudvuur, nat gangreen
brand in een zin
- De brand in de schuur was snel geblust.
- Bij brand moet je de trap nemen, niet de lift.
- In één nacht waren er drie branden in de wijk.
Hoe spreek je brand uit?
/brɑnt/
Brand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- glanzende kling van een zwaard figuratively, no-plural, obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| branden | meervoud |
| brandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brandjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- merk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brands | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
- gebiedende wijs van branden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
Vervoeging van brand
brandhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands brant van Oudnederlands brant, als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1001-1050, in de betekenis van ‘vuur’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van brand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brandje | verkleinwoord | brand |
| brandjes | verkleinwoord meervoud | brand |
| brands | meervoud | brand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brand zijn vastgelegd.