land
zelfstandig naamwoord, werkwoord lɑntBetekenis
- gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
- dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor of gebruikt wordt voor bebouwing of landbouw en veeteelt
- een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
- niet-verstedelijkt gebied
- het eigen land, het land waar men geboren is
- land
- platteland
- natie, staat
- bodem, grond, terrein
- een stuk tuinland, plaats
- landmassa, vast land, vasteland
Hoe spreek je land uit?
/lɑnt/
Land bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- gedeelte van het aardoppervlak dat boven water (rivieren, zeeën, oceanen e.d.) uitsteekt
- een geografisch afgebakend gebied dat aan één bepaald gezag is onderworpen, en zodoende geldt als eigen staat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| landen | meervoud |
| landje | verkleinwoord, enkelvoud |
| landjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van landen
- gebiedende wijs van landen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van landen
Vervoeging van land
landhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘grond, bouwland’ voor het eerst aangetroffen in 801
Woordfamilie van land
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| landje | verkleinwoord | land |
| landjes | verkleinwoord meervoud | land |
| lands | neuter | land |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van land zijn vastgelegd.