bijten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈbɛi̯tə(n)/Betekenis
- iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen tijdens vechten of om te eten
- een bijt maken (in het ijs)
Hoe spreek je bijten uit?
/ˈbɛitən/
Bijten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bijten
bijtenhele werkwoord — gebetenvoltooid deelwoord
Vervoeging van bijten
bijtenhele werkwoord — gebijtvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bijtte | verleden tijd |
| gebijt | verleden tijd, deelwoord |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bijt
Herkomst
In de betekenis van ‘de tanden in iets zetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijte | woordvorm | bijten |
| bijtte | verleden tijd | bijten |
| bijtten | woordvorm | bijten |
| gebeten | voltooid deelwoord | bijten |
| gebijt | voltooid deelwoord | bijten |
| gebijte | woordvorm | bijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijten zijn vastgelegd.