plant
zelfstandig naamwoord, werkwoord plɑntBetekenis
- een van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
- poten
- (organisme)
- (gewas)
- fabriek
Hoe spreek je plant uit?
/plɑnt/
Plant bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
- van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
- onderkant van de voet obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| planten | meervoud |
| plantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plantjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van planten
- gebiedende wijs van planten
Vervoeging van plant
planthele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] plant | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- fabriek die een onderdeel van een industriële vestiging vormt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plants | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
- gebiedende wijs meervoud van plannen
Vervoeging van plant
planthele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] plant | canonical |
Woordfamilie van plant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plantje | verkleinwoord | plant |
| plantjes | verkleinwoord meervoud | plant |
| plants | meervoud | plant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plant zijn vastgelegd.