tanden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtɑndə(n)Betekenis
- van tanden voorzien
- (een zaag) scherpen
Hoe spreek je tanden uit?
/ˈtɑndən/
Tanden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- scherpen transitive
Vervoeging van tanden
tandenhele werkwoord — tanddeverleden tijd enkelvoud — tanddenverleden tijd meervoud — getandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tand | tandde |
| jij | tandt | tandde |
| hij, zij, het | tandt | tandde |
| wij | tanden | tandden |
| jullie | tanden | tandden |
| zij | tanden | tandden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getand | verleden tijd, deelwoord |
| getand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| tand | gebiedende wijs |
| tandde | verleden tijd |
| tande | aanvoegende wijs |
| tandend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben getand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tanden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tand
Herkomst
zn afgeleid van tand zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van tanden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandde | verleden tijd | tanden |
| tandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tanden |
| tande | aanvoegende wijs | tanden |
| tandend | onvoltooid deelwoord | tanden |
| tandende | woordvorm | tanden |
| tandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tanden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tanden zijn vastgelegd.