schakel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- element van een keten of ketting
- de verbinding tussen een aantal verschijnselen etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schakels | meervoud |
| schakeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schakeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
- gebiedende wijs van schakelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
Vervoeging van schakel
schakelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kettingring, verbinding’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Woordfamilie van schakel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schakels | meervoud | schakel |
| schakeltje | verkleinwoord | schakel |
| schakeltjes | verkleinwoord meervoud | schakel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schakel zijn vastgelegd.