switch
zelfstandig naamwoord, werkwoord swɪtʃBetekenis
- in een korte tijd optredende verandering
- wissel van spelers
- uitruil van effecten
- onderdeel van een toestel of systeem dat twee of meer verschillende standen in kan nemen die de werking bepalen
- onderdeel van een communicatienetwerk dat de verbinding tussen paren aansluitingen tot stand brengt
- instructie die bepalend is voor de verdere werking van een programma
- afhankelijk van de waarde van een expressie
- iemand die in bdsm-relaties zowel de dominante als de onderdanige rol kan spelen
- dun zweepje, spitsroede, rotting
- schakelaar
- wissel
- omschakeling, plotselinge verandering
- plukje lange haren aan het eind van een staart
- bosje nagebootst haar als aanvulling op een kapsel
- slaan (met een zweepje)
- zwaaien (met een staart)
- omschakelen, overschakelen
- wisselen, verwisselen
- een overgang maken, veranderen
Hoe spreek je switch uit?
/swɪtʃ/
Switch bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| switches | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van switchen
- gebiedende wijs van switchen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van switchen
Vervoeging van switch
switchhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘schakelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1989
Woordfamilie van switch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| switches | meervoud | switch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van switch zijn vastgelegd.