Naar de inhoud

rammelen

een geluid veroorzaken met iets dat los zit

rammelen

werkwoord ˈrɑmələ(n)

Betekenis

  1. een geluid veroorzaken met iets dat los zit
  2. uit elkaar ~ door voortdurend gerammel stukgaan
  3. door elkaar ~ schudden

Hoe spreek je rammelen uit?

/ˈrɑmələn/

Rammelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɑmələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɑ bad
m maan
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een geluid voortbrengen of er iets loszit absolute
  2. bronstig zijn of paren
  3. een geluid veroorzaken met iets dat loszit unergative
  4. niet in orde zijn absolute, figuratively

Vervoeging van rammelen

rammelenhele werkwoord — rammeldeverleden tijd enkelvoud — rammeldenverleden tijd meervoud — gerammeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rammel rammelde
jij rammelt rammelde
hij, zij, het rammelt rammelde
wij rammelen rammelden
jullie rammelen rammelden
zij rammelen rammelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerammeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerammeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerammeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerammeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerammeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerammeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerammeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerammeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerammeld verleden tijd, deelwoord
gerammeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerammeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerammeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerammeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerammeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerammeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerammeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerammeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerammeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerammeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerammeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerammeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerammeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerammeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerammeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rammel gebiedende wijs
rammelde verleden tijd
rammele aanvoegende wijs
rammelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerammeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rammelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rammelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerammeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerammeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerammeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerammeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerammeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerammeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerammeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerammeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerammeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerammeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rammelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rammelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerammeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerammeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerammeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rammelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘paren van hazen en konijnen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573

Woordfamilie van rammelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerammeld voltooid deelwoord rammelen
gerammelde woordvorm rammelen
rammelde verleden tijd rammelen
rammelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rammelen
rammele aanvoegende wijs rammelen
rammelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rammelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rammelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over rammelen

Hoe spreek ik rammelen uit?
Zo spreek je rammelen uit: /ˈrɑmələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van rammelen?
Rammelen is een werkwoord. De betekenis is: een geluid veroorzaken met iets dat los zit. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik rammelen?
Zo vervoeg je rammelen zo: de tegenwoordige tijd is rammel, de verleden tijd is rammelde en het voltooid deelwoord is gerammeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rammelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. M 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rammelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. M 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rammelen in het kort

rammelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van rammelen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rammelen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rammelen: een geluid veroorzaken met iets dat los zit
Deel rammelen — standaardnederlands.nl