rammelen
werkwoord ˈrɑmələ(n)Betekenis
- een geluid veroorzaken met iets dat los zit
- uit elkaar ~ door voortdurend gerammel stukgaan
- door elkaar ~ schudden
Hoe spreek je rammelen uit?
/ˈrɑmələn/
Rammelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een geluid voortbrengen of er iets loszit absolute
- bronstig zijn of paren
- een geluid veroorzaken met iets dat loszit unergative
- niet in orde zijn absolute, figuratively
Vervoeging van rammelen
rammelenhele werkwoord — rammeldeverleden tijd enkelvoud — rammeldenverleden tijd meervoud — gerammeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rammel | rammelde |
| jij | rammelt | rammelde |
| hij, zij, het | rammelt | rammelde |
| wij | rammelen | rammelden |
| jullie | rammelen | rammelden |
| zij | rammelen | rammelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerammeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerammeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerammeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerammeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerammeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerammeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerammeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerammeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerammeld | verleden tijd, deelwoord |
| gerammeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerammeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerammeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerammeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerammeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerammeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerammeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerammeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerammeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerammeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerammeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerammeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerammeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerammeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerammeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rammel | gebiedende wijs |
| rammelde | verleden tijd |
| rammele | aanvoegende wijs |
| rammelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerammeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rammelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rammelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerammeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerammeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerammeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerammeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerammeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerammeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerammeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerammeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerammeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rammelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerammeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerammeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerammeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rammelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘paren van hazen en konijnen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van rammelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerammeld | voltooid deelwoord | rammelen |
| gerammelde | woordvorm | rammelen |
| rammelde | verleden tijd | rammelen |
| rammelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rammelen |
| rammele | aanvoegende wijs | rammelen |
| rammelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rammelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rammelen zijn vastgelegd.