kersenboom
zelfstandig naamwoord ˈkɛrsə(n)ˌbomBetekenis
- boom waaraan kersen groeien o.a. de voornoemde soorten.
Hoe spreek je kersenboom uit?
/ˈkɛrsənˌbom/
Kersenboom bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kersenbomen | meervoud |
| kersenboompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kersenboompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands kerseboom, op te vatten als samenstelling van kers zn en boom zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van kersenboom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kersenbomen | meervoud | kersenboom |
| kersenboompje | verkleinwoord | kersenboom |
| kersenboompjes | verkleinwoord meervoud | kersenboom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kersenboom zijn vastgelegd.