boord
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɔːrdən/Betekenis
- oever
- rand
Hoe spreek je boord uit?
/bɔrdən/
Boord bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het dek van een schip masculine, neuter
- de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek masculine, neuter
- rand zn masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boorden | meervoud |
| boordje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boordjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
- gebiedende wijs van boorden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
Vervoeging van boord
boordhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van boord
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boordje | verkleinwoord | boord |
| boordjes | verkleinwoord meervoud | boord |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boord zijn vastgelegd.