zoom
zelfstandig naamwoord, werkwoord zomBetekenis
- rand aan de buitenkant
- tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
Hoe spreek je zoom uit?
/zom/
Zoom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zomen | meervoud |
| zoompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
- gebiedende wijs van zomen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
Vervoeging van zoom
zoomhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] zoom | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
- gebiedende wijs van zoomen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
Vervoeging van zoom
zoomhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] zoom | canonical |
Woordfamilie van zoom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoompje | verkleinwoord | zoom |
| zoompjes | verkleinwoord meervoud | zoom |
| zooms | meervoud | zoom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoom zijn vastgelegd.