kantwerken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkɑntwɛrkə(n)Betekenis
- licht, in patronen opengewerkt weefsel vervaardigen
Hoe spreek je kantwerken uit?
/ˈkɑntwɛrkən/
Kantwerken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kantwerken
kantwerkenhele werkwoord — kantwerkteverleden tijd enkelvoud — kantwerktenverleden tijd meervoud — gekantwerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kantwerk | kantwerkte |
| jij | kantwerkt | kantwerkte |
| hij, zij, het | kantwerkt | kantwerkte |
| wij | kantwerken | kantwerkten |
| jullie | kantwerken | kantwerkten |
| zij | kantwerken | kantwerkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekantwerkt | verleden tijd, deelwoord |
| gekantwerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekantwerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekantwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekantwerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekantwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kantwerk | gebiedende wijs |
| kantwerke | aanvoegende wijs |
| kantwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| kantwerkte | verleden tijd |
| te hebben gekantwerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kantwerken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kantwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekantwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kantwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekantwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kantwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kantwerk
Herkomst
[werkwoord] samenstelling van kant zn en werken ww
Woordfamilie van kantwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekantwerkt | voltooid deelwoord | kantwerken |
| kantwerke | aanvoegende wijs | kantwerken |
| kantwerkend | onvoltooid deelwoord | kantwerken |
| kantwerkende | woordvorm | kantwerken |
| kantwerkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kantwerken |
| kantwerkte | verleden tijd | kantwerken |
| kantwerkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kantwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kantwerken zijn vastgelegd.