kandelaber
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kandelaar met verscheidene armen
- een grote, meerarmige kandelaar (of luchter)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kandelaar | |
| kandelabers | meervoud |
| kandelabertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kandelabertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaberen
- gebiedende wijs van kandelaberen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaberen
Vervoeging van kandelaber
kandelaberhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kroonluchter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832
Woordfamilie van kandelaber
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kandelabers | meervoud | kandelaber |
| kandelabertje | verkleinwoord | kandelaber |
| kandelabertjes | verkleinwoord meervoud | kandelaber |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kandelaber zijn vastgelegd.