badderen
werkwoord ˈbɑdərə(n)Betekenis
- zich in het water van een bad of vijver vermaken
- zich zwemmend en spelend baden
- het met veel gespetter nemen van een bad in water of stof door vogels
Hoe spreek je badderen uit?
/ˈbɑdərən/
Badderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van badderen
badderenhele werkwoord — badderdeverleden tijd enkelvoud — badderdenverleden tijd meervoud — gebadderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | badder | badderde |
| jij | baddert | badderde |
| hij, zij, het | baddert | badderde |
| wij | badderen | badderden |
| jullie | badderen | badderden |
| zij | badderen | badderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| badder | gebiedende wijs |
| badderde | verleden tijd |
| baddere | aanvoegende wijs |
| badderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebadderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebadderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebadderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebadderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebadderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebadderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebadderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebadderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebadderd | verleden tijd, deelwoord |
| gebadderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebadderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebadderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebadderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebadderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebadderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebadderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebadderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebadderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te badderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebadderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen badderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt badderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebadderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen badderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult badderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebadderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
in de betekenis van ‘zwemmen, in het water spelen’ voor het eerst aangetroffen in 1906
Woordfamilie van badderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badder | gebiedende wijs | badderen |
| badderde | verleden tijd | badderen |
| badderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | badderen |
| baddere | aanvoegende wijs | badderen |
| badderend | onvoltooid deelwoord | badderen |
| badderende | woordvorm | badderen |
| baddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | badderen |
| gebadderd | voltooid deelwoord | badderen |
| gebadderde | woordvorm | badderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badderen zijn vastgelegd.