Naar de inhoud

badderen

zich in het water van een bad of vijver vermaken

badderen

werkwoord ˈbɑdərə(n)

Betekenis

  1. zich in het water van een bad of vijver vermaken
  2. zich zwemmend en spelend baden
  3. het met veel gespetter nemen van een bad in water of stof door vogels

Hoe spreek je badderen uit?

/ˈbɑdərən/

Badderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɑdərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɑ bad
d dak
ə de
r rood
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van badderen

badderenhele werkwoord — badderdeverleden tijd enkelvoud — badderdenverleden tijd meervoud — gebadderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik badder badderde
jij baddert badderde
hij, zij, het baddert badderde
wij badderen badderden
jullie badderen badderden
zij badderen badderden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
badder gebiedende wijs
badderde verleden tijd
baddere aanvoegende wijs
badderend onvoltooid, deelwoord
er is gebadderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebadderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebadderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebadderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebadderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebadderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebadderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebadderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebadderd verleden tijd, deelwoord
gebadderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebadderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebadderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebadderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebadderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebadderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebadderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebadderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebadderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebadderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebadderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te badderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebadderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen badderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt badderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebadderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen badderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult badderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebadderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

in de betekenis van ‘zwemmen, in het water spelen’ voor het eerst aangetroffen in 1906

Woordfamilie van badderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
badder gebiedende wijs badderen
badderde verleden tijd badderen
badderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon badderen
baddere aanvoegende wijs badderen
badderend onvoltooid deelwoord badderen
badderende woordvorm badderen
baddert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon badderen
gebadderd voltooid deelwoord badderen
gebadderde woordvorm badderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badderen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over badderen

Hoe spreek ik badderen uit?
Zo spreek je badderen uit: /ˈbɑdərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van badderen?
Badderen is een werkwoord. De betekenis is: zich in het water van een bad of vijver vermaken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik badderen?
Zo vervoeg je badderen zo: de tegenwoordige tijd is badder, de verleden tijd is badderde en het voltooid deelwoord is gebadderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op badderen?

Op badderen rijmen 4 woorden, onder andere vergaderen, kladderen en ladderen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op badderen, uitspraak ˈbɑdərən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vergaderen 4
kladderen 3
ladderen 3
schoepenraderen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord badderen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. A 1
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

badderen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. A 1
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

badderen in het kort

badderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van badderen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort badderen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

badderen: zich in het water van een bad of vijver vermaken
Deel badderen — standaardnederlands.nl