roofvogel
zelfstandig naamwoord ˈrofoɣɛlBetekenis
- een vogel die zijn prooi bejaagt en doodt
Hoe spreek je roofvogel uit?
/ˈrofoxɛl/
Roofvogel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| o | boot |
| f | fiets |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roofvogels | meervoud |
| roofvogeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roofvogeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van roof ww en vogel , in de betekenis van ‘vogel die van vlees leeft’ aangetroffen vanaf 1573
Woordfamilie van roofvogel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roofvogeltje | verkleinwoord | roofvogel |
| roofvogeltjes | verkleinwoord meervoud | roofvogel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roofvogel zijn vastgelegd.