winkelaar
zelfstandig naamwoord ˈwɪŋkɛˌlarBetekenis
- een detailhandelaar die een winkel houdt of heeft
Hoe spreek je winkelaar uit?
/ˈwɪŋkɛˌlar/
Winkelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ɛ | bed |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die detailhandel bezoekt om op een ontspannen manier inkopen te doen
- iemand die detailhandel bedrijft obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| winkelaars | meervoud |
Herkomst
[1] afgeleid van winkelen ww met het achtervoegsel -aar, in de betekenis "iemand die ontspannen detailhandelszaken afgaat" aangetroffen vanaf circa 1935 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van winkelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| winkelaars | meervoud | winkelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winkelaar zijn vastgelegd.