openbaren
werkwoordBetekenis
- wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
Vervoeging van openbaren
openbarenhele werkwoord — openbaardeverleden tijd enkelvoud — openbaardenverleden tijd meervoud — geopenbaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | openbaar | openbaarde |
| jij | openbaart | openbaarde |
| hij, zij, het | openbaart | openbaarde |
| wij | openbaren | openbaarden |
| jullie | openbaren | openbaarden |
| zij | openbaren | openbaarden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geopenbaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geopenbaard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geopenbaard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geopenbaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geopenbaard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geopenbaard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geopenbaard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geopenbaard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geopenbaard | verleden tijd, deelwoord |
| geopenbaard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geopenbaard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geopenbaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geopenbaard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geopenbaard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geopenbaard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geopenbaard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geopenbaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geopenbaard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geopenbaard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geopenbaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geopenbaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geopenbaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geopenbaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geopenbaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| openbaar | gebiedende wijs |
| openbaar me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| openbaar u/je , openbaart je | gebiedende wijs |
| openbaarde | verleden tijd |
| openbaarde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| openbaarde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| openbaarde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| openbaarde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| openbaarde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| openbaarde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| openbaarde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| openbaarden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| openbaarden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| openbaarden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| openbaart je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| openbaart u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| openbaart u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| openbaart zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| openbaart zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| openbaart zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| openbare | aanvoegende wijs |
| openbare zich | aanvoegende wijs |
| openbaren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| openbaren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| openbaren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| openbarend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geopenbaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te openbaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openbaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geopenbaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geopenbaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geopenbaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geopenbaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geopenbaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geopenbaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geopenbaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geopenbaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me openbaren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich openbaren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je openbaren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geopenbaard hebben | verleden tijd |
| zich openbarend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geopenbaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geopenbaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geopenbaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt openbaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geopenbaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geopenbaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van openbaar met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van openbaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geopenbaard | voltooid deelwoord | openbaren |
| geopenbaarde | woordvorm | openbaren |
| openbaarde | verleden tijd | openbaren |
| openbaarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openbaren |
| openbaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openbaren |
| openbarend | onvoltooid deelwoord | openbaren |
| openbarende | woordvorm | openbaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openbaren zijn vastgelegd.