trap
zelfstandig naamwoord, werkwoord trɑpBetekenis
- een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
- een vogel uit de familie Otididae
- een schop, een stoot met de benen
- de onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen.
- mate van ontwikkeling
- een functie of akkoord in een akkoordreeks - klanktrap, toontrap
- val (voor het vangen van dieren)
- (een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich schuin boven elkaar bevinden)
- loopplank
- valluik
- een discipline in de schietsport
- zapadnia
- draf; gang van paard, en andere viervoeters, sneller dan de stap maar langzamer dan de galop
- vloedbasalt, basaltvloed, plateaubasalt, trapp; een grootschalige vulkanische uitbarsting van basaltische lava's die grote stukken land of oceaanvloer bedekt
- een subgenre van hiphopmuziek dat ontstond in de late jaren 1990
- trop
- trapp
- klus
- klik, klak; kort, scherp en droog geluid, specifiek bij een draf
- op een draf
Hoe spreek je trap uit?
/trɑp/
Trap bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
- stoot met de voet
- onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen
- functie of akkoord in een akkoordreeks
- elk van de verschillende mogelijke vormen van een bijvoeglijk naamwoord die een bepaalde mate van gradatie aangeven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1] trappetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [1] trappetjes | verkleinwoord, meervoud |
| trapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trapjes | verkleinwoord, meervoud |
| trappen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
- gebiedende wijs van trappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
Vervoeging van trap
traphele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] trap | canonical |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor vogels uit de familie Otididae
Woordfamilie van trap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trapje | verkleinwoord | trap |
| trapjes | verkleinwoord meervoud | trap |
| trappetje | woordvorm | trap |
| trappetjes | meervoud | trap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trap zijn vastgelegd.