status
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈstatʏsBetekenis
- aanzien in de maatschappij
- toestand met bepaalde rechtsgevolgen
- stand, toestand, dossier over patiënt in ziekenhuis
- positie, toestand,
- toestand; over dingen, personen of verhoudingen, hoe deze in een bepaalde tijd zijn
- stand/toestand van de patiënt of het dossier over patiënt in ziekenhuis
- stav
- postavení
Hoe spreek je status uit?
/ˈstatʏs/
Status bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- plaats in een vast geheel of een bepaald proces
- aanzien in de maatschappij, hiërarchische positie
- maatschappelijke toestand of positie met bepaalde rechtsgevolgen
- actueel overzicht van aandoeningen en behandelingen, dossier over patiënt in ziekenhuis
- bericht over een bepaalde toestand, bijv. op sociale media
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| statusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| statusjes | verkleinwoord, meervoud |
| statussen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van statussen
- gebiedende wijs van statussen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van statussen
Vervoeging van status
statushele werkwoord
Herkomst
[1] van Latijn status, in de betekenis van ‘stand, toestand’ aangetroffen vanaf 1745
Woordfamilie van status
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| statusje | verkleinwoord | status |
| statusjes | verkleinwoord meervoud | status |
| statussen | meervoud | status |
| gestatust | woordvorm | statussen |
| statusse | woordvorm | statussen |
| statussend | woordvorm | statussen |
| statussende | woordvorm | statussen |
| statust | woordvorm | statussen |
| statuste | woordvorm | statussen |
| statusten | woordvorm | statussen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van status zijn vastgelegd.