duikelen
werkwoordBetekenis
- over de kop rollen
Vervoeging van duikelen
duikelenhele werkwoord — duikeldeverleden tijd enkelvoud — duikeldenverleden tijd meervoud — geduikeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duikel | duikelde |
| jij | duikelt | duikelde |
| hij, zij, het | duikelt | duikelde |
| wij | duikelen | duikelden |
| jullie | duikelen | duikelden |
| zij | duikelen | duikelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| duikel | gebiedende wijs |
| duikelde | verleden tijd |
| duikele | aanvoegende wijs |
| duikelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geduikeld | verleden tijd, deelwoord |
| geduikeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduikeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te duikelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geduikeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen duikelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geduikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geduikeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geduikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geduikeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geduikeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geduikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geduikeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geduikeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geduikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geduikeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen duikelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult duikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geduikeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit duiken met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van duikelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duikel | gebiedende wijs | duikelen |
| duikelde | verleden tijd | duikelen |
| duikelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | duikelen |
| duikele | aanvoegende wijs | duikelen |
| duikelend | onvoltooid deelwoord | duikelen |
| duikelende | woordvorm | duikelen |
| duikelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | duikelen |
| geduikeld | voltooid deelwoord | duikelen |
| geduikelde | woordvorm | duikelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duikelen zijn vastgelegd.