adel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- bevoorrechte en vaak ook rijke groep personen aan wie een meest erfelijke titel verleend was en aan wie voorheen een bepaald gebiedsdeel in eigendom gegeven was
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adelen
- gebiedende wijs van adelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adelen
Vervoeging van adel
adelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘stand der edelen’ voor het eerst aangetroffen in 1447