rijk
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord rɛikBetekenis
- (persoon) veel geld en/of eigendommen hebbend
- overvloedig
- uitgebreid, veelomvattend
- waardevol
- een staat of natie onder een vorst of heerser
- een taxon dat bestaat uit een of meer stammen en dat deel uitmaakt van een domein
Hoe spreek je rijk uit?
/rɛik/
Rijk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| k | kat |
bijvoeglijk naamwoord
- veel geld en/of eigendommen hebbend person
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijke | verbogen, stellende trap |
| rijker | onverbogen, vergrotende trap |
| rijkere | verbogen, vergrotende trap |
| rijkers | partitief, vergrotende trap |
| rijks | partitief, stellende trap |
| rijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| rijkste | verbogen, overtreffende trap |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een staat of natie onder het gezag van een vorst of andere heerser
Herkomst
In de betekenis van ‘vermogend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van rijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijker | vergrotende trap | rijk |
| rijkere | verbogen vergrotende trap | rijk |
| rijkers | partitieve vergrotende trap | rijk |
| rijkje | woordvorm | rijk |
| rijkjes | meervoud | rijk |
| rijks | partitive, positive | rijk |
| rijkst | uninflected, superlative | rijk |
| rijkste | inflected, superlative | rijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijk zijn vastgelegd.