maatstaf
zelfstandig naamwoord ˈmatstɑfBetekenis
- eenheid, grootheid, standaardnorm of criterium waaraan iets anders (bijv. een andere grootheid) wordt afgemeten
Hoe spreek je maatstaf uit?
/ˈmatstɑf/
Maatstaf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| t | tak |
| s | sok |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maatstafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maatstafjes | verkleinwoord, meervoud |
| maatstaven | meervoud |
Herkomst
samenstelling van maat zn en staf zn , mogelijk leenvertaling van Duits Maßstab
Woordfamilie van maatstaf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maatstafje | verkleinwoord | maatstaf |
| maatstafjes | verkleinwoord meervoud | maatstaf |
| maatstaven | meervoud | maatstaf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maatstaf zijn vastgelegd.