landgoed
zelfstandig naamwoord ˈlɑntxutBetekenis
- een groot landhuis met een uitgestrekt gebied dat als één geheel beheerd wordt, meestal door de landgoedeigenaar
Hoe spreek je landgoed uit?
/ˈlɑntxut/
Landgoed bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| landgoederen | meervoud |
| landgoedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| landgoedjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van land zn en goed zn
Woordfamilie van landgoed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| landgoederen | meervoud | landgoed |
| landgoedje | verkleinwoord | landgoed |
| landgoedjes | verkleinwoord meervoud | landgoed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van landgoed zijn vastgelegd.